Over het jatten van schatten Mijn bezoek aan het Osoby Archiv te Moskou

Online artikel uit LOVER 2003/2

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog plunderden de nazi’s het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging. Op een achternamiddag voerden ze de papieren geschiedenis van de Nederlandse vrouwenbeweging zonder pardon af. Na de oorlog werd een klein deel teruggevonden, maar het leeuwendeel van de oorlogsbuit bleef zoek. Tot in 1992 bleek dat deze lag opgeslagen in een ‘trofeeënarchief’ in Moskou. Het kostte nog heel wat diplomatiek overleg eer Rusland het vooroorlogse archief aan Nederland teruggaf. Onlangs was het eindelijk zover. Op 26 mei vierde het IIAV de thuiskomst van de verloren schatten.

door Mineke Bosch

In 1994 bracht historica Mineke Bosch een bezoek aan het Osoby Archiv in Moskou, waar de in de oorlog buitgemaakte IAV-collectie al tientallen jaren verstopt lag

In 1994 bracht historica Mineke Bosch een bezoek aan het Osoby Archiv in Moskou, waar de in de oorlog buitgemaakte IAV-collectie al tientallen jaren verstopt lag. Zij wilde het verloren gewaande materiaal met eigen ogen inzien. Kijken mocht, maar iets meenemen naar Nederland was onbespreekbaar. In een onbewaakt ogenblik jatte zij een foto van Rosa Manus, oprichtster van het IAV. Hierbij de overwegingen van een dievegge tegen wil en dank.

Tijdens het tweede internationale congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in Denemarken, in 1906, richtten de aanwezige Hongaarse vrouwen een verzoek tot de presidente Carrie Chapman Catt om hen dat najaar te komen bezoeken. Het zou handig zijn wanneer zij een Duitssprekende metgezel mee zou brengen, maar gegeven de anti-Duitse gevoelens die er in Boedapest heersten zou dat liefst geen Duitse vrouw moeten zijn.(1) Dat maakte Aletta Jacobs tot de aangewezen reisgenote.
Nog net voor Jacobs’ vertrek uit Nederland, op 5 oktober 1906, schreef Martina Kramers, hoofdredacteur van het orgaan Jus Suffragii van de Wereldbond, aan Rosika Schwimmer: ‘Schreiben Sie bald und schicken Sie Zeitungen, wenn Catt und Alet da sind.’ Wellicht bracht dit de Hongaarse vrouwen op een idee. In elk geval boden zij de bezoeksters na afloop een prachtig, in leer gebonden album aan, vol met krantenfoto’s en -knipsels over hun bezoek met daarbij handgeschreven vertalingen. Op de voorkant stond heel simpel ‘1906 Oct. 12-14’ in het leer gegrift. (2)

Met dit album onder de arm stapten mijn collega historica Myriam Everard en ik tijdens ons bezoek aan het Osoby Archiv (het Speciaal Archief) in Moskou in februari 1994 naar de directeur, om hem te vragen tenminste dit ene archiefstuk mee te mogen nemen naar Nederland. In de wandelgangen werd dit archief ook wel het ‘trofeeënarchief’ genoemd, naar de oorlogsbuit die erin werd bewaard. De opening van zaken die omstreeks 1989 omtrent het bestaan van dit Osoby Archiv werd gegeven, was een van de gevolgen van perestrojka en glasnost. In de loop van 1991 verschenen verschillende artikelen over het hervormde archiefbeleid, en één waarin speciaal over de oorlogsbuit in het Speciaal Archief werd bericht.(3)
In Nederland drong het nieuws over dit archief door via Marc Jansen, die op 14 januari 1992 een artikel schreef in NRC Handelsblad. Dat het vooroorlogse IAV-archief ook bij de oorlogsschatten bleek te zitten, veroorzaakte bij vele historici van de vrouwenbeweging, mijzelf incluis, grote opwinding. Mijn verlangen om de buit te inventariseren moest echter nog even worden uitgesteld wegens ‘onder handen werk’. Een maand na mijn promotie kon het er eindelijk van komen.(4)

Poppenpetticoatje

De directeur, Victor Bondarev, bleek een aimabel man en als historicus vol begrip voor onze grote wens. Hijzelf had zich jarenlang beziggehouden met de nalatenschap van Alexandra Kollontai, die in de jaren zeventig door haar vrijmoedige visie op liefde en seksualiteit en haar inzet voor het sovjetcommunisme een rolmodel was voor veel vrouwen in de tweede feministische golf. Bondarev had vooral in het Westen veel succes gehad met een Duitse vertaling van door hem bijeengebrachte geschriften van Kollontai, en begreep dus iets van onze fascinatie met vrouwengeschiedenis. Maar als directeur bleek hij tot onze grote frustratie onvermurwbaar.
Zijn weigering bracht mij tot wat met een groot woord een wanhoopsdaad kan worden genoemd. Onder de scherpe ogen van de voortdurend surveillerende staf peuterde ik tijdens ons laatste bezoek een toch al enigszins loszittende, mij onbekende foto van Rosa Manus van een vel los, en liet hem tussen mijn papieren verdwijnen. Echt moeilijk was dat niet, en bij ontdekking zou ook het excuus gemakkelijk zijn. We namen immers in drie dagen vijf meter archief, oftewel 25 dozen bestaande uit 203 dossiers door, terwijl we tussendoor kopieerden en van enkele foto’s foto’s maakten. Ons geritsel was niet van de lucht.

Dat ik toch spijt kreeg van mijn daad was te verwachten. De gestolen waar die ik ooit van de kleuterschool mee naar huis bracht (een piepklein lichtblauw poppenpetticoatje dat mijn pop moest geven wat ík absoluut niet mocht hebben), moest ik voor straf in de voltallige kleutergroep tonen. De straf heeft kennelijk gewerkt; ik heb het nooit meer over mijn hart kunnen krijgen iets te jatten. Zelfs niet toen het ‘proletarisch winkelen’ in de vrouwenbeweging bon ton was, en een goede vriendin en heel knappe criminologe zelfs een deftig congres over winkeldiefstal bezocht in een geheel ‘georganiseerde’ outfit – haar vriendin had te elfder ure nog het ontbrekende slipje geleverd.


Surrogaat-ding

Maar het was niet alleen mijn innerlijke stem die mij de juistheid van mijn daad deed betwijfelen. De Russen – ongehinderd door hun volledige onkunde betreffende de inhoud van de archieven – beschikten over een grondig en misschien wel waterdicht controlesysteem: alle vellen in alle dossiers bleken stuk voor stuk te zijn geteld. 28051 in totaal (de optelling is van ons)! Die activiteit bleek uit telfomulieren die achterin elk dossier zaten.
Deze formulieren gaven ons trouwens ook een naargeestig inkijkje in de frequentie waarmee het archief was geraadpleegd in de afgelopen vijftig jaar. We vonden een briefje waaruit bleek dat in 1962 enkele dossiers waren gelicht. Verder enkele telformulieren die gedateerd waren op 21, 22 en 23 december 1992 en enkele van 16 maart 1993. De eerste data bleken overeen te komen met het bezoek dat de historicus Peter Romijn namens het toenmalige RIOD, tegenwoordig NIOD, aan Moskou bracht. De tweede datum rijmde met een bezoek van Heleen Massee namens het IIAV.
Dat wij de eerste dag slechts vier van de 203 dossiers mochten inzien had vermoedelijk te maken met het gehanteerde telmechanisme. Wij stelden ons – met enig leedvermaak – voor hoe ergens boven, weggestopt in een hoekje tussen de dozen, een aantal vrouwen in stofjassen verwoed aan het tellen waren: één keer vóórdat de dozen aan ons werden afgegeven, en nog een keer nadat ze waren teruggebracht.
Weer ‘thuis’ in het 6000 kamers tellende Rossija Hotel, waar in de hoogtijdagen van de Sovjetunie alle bonzen werden ondergebracht tijdens partijcongressen en vergaderingen van afgevaardigden, begon het steeds harder te knagen: brachten wij met deze daad de teruggave van de archieven niet in gevaar? Zouden de Russen bij ontdekking wellicht overgaan tot het nemen van maatregelen, zodanig dat bijvoorbeeld ook de voorgenomen verfilming van de stukken in gevaar zou kunnen komen? In mijn ‘Moskouschriftje’ staat in concept het briefje dat wij met de foto lieten bezorgen bij het Speciaal Archief: ‘It was a great shock, after we came back in our hotel on Thursday 24, to discover among our notes one of the documents from the IAV-papers in the Osoby Archiv.’

Achteraf is het gemakkelijk om het incident met enige meewarigheid te bezien en misschien zelfs een gelijkenis te trekken met het poppenpetticoatje: beide keren ging het om de bevrediging van het verlangen om iets onbereikbaars te hebben, hetgeen werd gestild door een surrogaat-ding. Een Freudiaanse duiding zou dan kunnen gaan over een te zwak superego (vrouwen nu eenmaal eigen) of het vrouwen van nature gegeven gevoel van gemis dat hen troost doet zoeken in tweederangs vervangingsmiddelen.

No documents, no History

Maar een aardsere verklaring voor mijn handeling ligt wellicht meer voor de hand. Ik was woedend en verbolgen over het feit dat een zo belangrijk deel van het feministisch erfgoed op volkomen irrationele gronden in Russische bewaring werd gehouden, zonder enige erkenning van het rechtmatig eigendom ervan of het belang van die stukken voor een begrip van een vitaal onderdeel van het verleden. Dit onbegrip was nog eens bevestigd door de resolute afwijzing van ons verzoek om tenminste één representatief stuk aan ons terug te geven. Helemaal geen stuk dat inhoudelijk gezien heel belangrijk was, maar eentje met symbolische waarde: het was tastbaar (zelfs aaibaar als ik het me goed herinner), het was mooi en het refereerde aan een van de beroemdste vrouwen van de eerste feministische golf in Nederland, Aletta Jacobs. Het album zou een waardig geschenk zijn geweest en een teken van verstandhouding en hoop.
De onverbiddelijke afwijzing van ons zo redelijke verzoek bracht ons weer helder voor ogen waar wij ons bevonden: in een trofeeënarchief waarin het nog steeds een beetje (Koude) Oorlog was. In die situatie van betrekkelijke wetteloosheid (of oorlogsrecht) kon het verschalken van een eigen trofee toch eigenlijk geen kwaad?

Toch duidt de keuze voor het soort trofee erop dat er nog meer in het geding was dan woede en verbolgenheid. De keuze voor een foto van Rosa Manus was ook een kleine persoonlijke actie, gericht op erkenning voor de vrouw die dat zozeer verdiende. Al in de inleiding van Lieve Dr. Jacobs. Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, 1902-1942 schreven Annemarie Kloosterman en ik dat we hadden besloten ‘naast Aletta Jacobs ook Rosa Manus een plaats in het boek te geven’. Zo wilden we haar uit de schaduw trekken ‘die de nazi’s blijvend over haar [hadden] geworpen door behalve haar leven ook haar archieven te vernietigen’.(5) Manus stierf in 1943 in het vrouwenkamp Ravensbrück, als joodse en als internationale vredesactiviste.
Voor ons was Mary Beards motto ‘No documents, no history’ bij uitstek komen te staan voor Rosa Manus en de relatieve vergetelheid waarin zij was geraakt naast haar illustere kiesrechtvriendin Aletta Jacobs. De Amerikaanse uitgave van Lieve Dr. Jacobs, vijf jaar later, ging trouwens nog verder dan de Nederlandse in het rechtdoen aan Rosa Manus. (6) In overleg met de uitgever besloten wij haar zowel samen met Catt op de omslag te zetten, alsook prominent op de titelpagina. Precies op die plaatsen dus waar in de Nederlandse uitgave Jacobs poseerde.

Roemrucht verleden

In het Speciaal Archief, waar wij elke keer langs een indrukwekkende bewaker naar binnen moesten, werden Everard en ik nog eens extra gesterkt in ons vermoeden dat de verdwenen archieven licht konden werpen op het leven en de persoon van Manus, en op haar grote historische belang voor de geschiedenis van het feminisme. Want behalve dat we een belangrijk deel van Manus’ persoonlijk archief aantroffen, vonden we in de stukken betreffende het IAV het bewijs terug van haar onvermoeibare inzet voor dit instituut en het behoud van de herinnering aan een roemrucht feministisch verleden.
In alles wat wij aantroffen, zagen wij het gelijk van wat Clara Meijers vlak na de oorlog in een sober biografisch portret over haar vriendin Manus had geschreven: ‘Het I.A.V., door een jongere generatie opgericht, ter vastlegging van al datgene, waarvoor Rosa Manus haar gehele leven geijverd en gestreden had, was de eindpaal van haar feministisch werken en het was haar liefde en trots. Helaas heeft zij moeten toezien, toen de Duitse bezetters begonnen alle cultureele leven hier te dooden en alle cultuurwaarden weg te slepen, hoe het heele kostbare bezit van het archief geroofd en naar Duitsland gebracht werd. Het was voor haar (...) een slag, die zij niet te boven is gekomen.’(7)
Onze Moskouse inventarisatie van archieven die zo veel aspecten van het Nederlandse feminisme betreffen en die ooit al werden samengebracht in het vooroorlogse IAV, was niet alleen een intellectueel avontuur. Het was ook een diep-emotionele beleving, die wellicht nog werd versterkt door de gelijktijdige aanwezigheid van enkele bezoekers die onderzoek deden in teruggevonden Auschwitz-archieven. Geschiedschrijving is natuurlijk altijd veel meer dan het ophalen van een herinnering, maar in het geval van Rosa Manus gaat het nog verder. Zij verdient een blijvend monument. Laat dat dan mijn verdediging zijn van mijn wat onhandige en mislukte poging tot het jatten van een van de schatten uit het geroofde archief van het vooroorlogse IAV.

Noten

1 Aletta H. Jacobs, ‘Een propagandareis voor Vrouwenkiesrecht in het buitenland', I en II, Maandblad van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (MVvVK), 11/1 (15 november 1906) en 11/2 (15 december 1906).
2 Het is niet duidelijk of Jacobs en Catt ieder een album hebben gekregen. Jacobs schrijft in haar Herinneringen: ‘De jonge vrouwen wier gasten wij waren en die zich in den strijd voor het vrouwenkiesrecht zoo volkomen aan onze zijde schaarden, hadden de vriendelijkheid al wat in die dagen werd gepubliceerd te verzamelen, en ons dien bundel in een prachtige leeren band aan te bieden als herinnering aan de dagen in haar stad doorgebracht’ (Amsterdam: Van Holkema en Warendorf, 1924, p. 116). Mary Gray Peck schrijft in Carrie Chapman Catt: A Biography dat ‘the notices of her lectures were collected, translated into English and presented to her in a handsome volume at the conclusion of her visit’ (New York. H.W. Wilson, 1944, p. 156).
3 O.a. Patricia Kennedy Grimsted, ‘Perestroika in Soviet Archives? Glasnost, Archival Reform and Researcher Access’, Solanus. International Journal for Russian and East european Bibliographic, Literary and Publishing Studies, 5 (1991), p. 172-198; George C. Browder, ‘Captured German and Other Nations’ Documents in the Osoby (Special) Archive, Moscow’, Central European History, 24 (1991) 4, p. 424-445.
4 Voor een eerder verslag van onze Moskou-reis: M. Everard & M. Bosch, ‘Feminisme als oorlogstrofee. De vooroorlogse IAV-archieven in Moskou’, Feminisme en Verbeelding. Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 14 (1994), p. 193-200 (Amsterdam: Stichting Beheer IISG).
5 M. Bosch & A. Kloosterman, Lieve Dr. Jacobs. Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, 1902-1942 (Amsterdam: Sara, 1985), p. 8.
6 M. Bosch & A. Kloosterman, Politics and Friendship. Letters from the International Woman Suffrage Alliance, 1902-1942 (Columbus: Ohio State University Press, 1990).
7 Clara Meijers, Een moderne vrouw van formaat. Leven en werken van Rosa Manus (Leiden: Brill, 1946), p. 53.